HET IVOREN AAPJE 145
Maar dat alles is nog uiting en vormspeling van het gedachten-vernuft; het klapwieken van de verbeelding vóór de groote vlucht begint. Het is koel, scherp, en weerhakig-ironisch, dat vernuftsoort. Het zoekt naar cynische afkoeling van al het geestdriftige, opgewondene en ontroerde. Iedere trophee bespat het met zijn spot en gram, iedere verhevenheid verschrompelt 't met z'n zuur; een kerkje geeft 't uitkijk op een speelhol; de vriendschap en onbaatzuchtigheid knelt het brandnetels in de hand; nonnetjes laat 't rond Lesbia zwerven, en de moderne helden schenkt het een woning, ergens drie-hoog-achter. Gierigaards laat 't sparen in potten zonder bodem, en jockeys drukt het op hobbelpaarden. Zoo dartelt het cynische vernuft rond, maar op hèt groote ontroeringsmoment verveelt en walgt zijn verschijnen. Wie wil er altijd nieskruid snuiven of peperkorrels doorbijten? Lichtzinnige aftakeling van veel goeds en ophemeling van veel lichtzinnigs, kan een wijle bekoren, om het gedurfde, het overstouthartige... . tenslotte grijnst de weerzin tegen al dat gesmokkel van onzuiver geestelijk goed. De ziel wil ook weer op adem komeny-zoodra al die boertige salto's van den spotgeest uitgeduikeld zijn. Een accoord dat nooit afgesloten wordt, klinkt niet meer als accoord, en een elegance die nooit eindigt wordt een poenige plompheid. Zoo wordt verstands-
Studiën. 10