HET IVOREN AAPJE 139
van Miranda en Julia is van een zwaluwzilverige zweeflijn. Ze scheeren met heur smachtende ziel over het wezen van hun liefde rakeloos heen. Ze beroeren nauw de lijflijkheid der min-narijen. En toch is bij hen bemachtiging van den man dien zij minnen te lezen in het licht van hun smachtende oogen, te voelen in de rillingen van hun zoet-begeerend lichaam. Die zachte bemachtiging van het koen-manlijke, het fier-heerschende, is voor haar het heimvolste en zwijmelendste geluk op aarde. Hun liefde wordt een roes-van-de-ziel, nooit van de zinnen, al worden die in den zielsroes meegesleept. Juist Shakespeare voelde den bizarren overslag van heiligheid naar cynisme en spot, met een latijnsch bewustzijn. Maar ook die vermaagdelijkte raseigenschap speurden de Romanen niet in zijn genie. Hun plagerige levendigheid stoeit met alle diepzinnige problemen,.... 't wordt tijd dat zij eens inzien hun eigene scheppers-beperktheid, en de sentimenteele trek-harmonica van hun ras-casuis-tiek het zwijgen opleggen, na de uitjanking van al haar klachten over anderen.
Ook het Shakespearsche vernuft is van een zeer bizonder soort. Er zijn vele soorten van ver-nuftsvormen. Maar alle toch terug te brengen tot twee hoofdgroepen: gevoels- en gedachten-vernuft.