138 STUDIËN
heeten adem uit één mond, richt zich naar tijdgeest en succes; de germaansche, in Shakespeare, wrokt zich vast op het leven, onverzoenbaar en treedt koen uit, zonder omzien. De sexualiteit laat Shakespeare in zijn vrouwen leven, rustig-broeiend als een vruchtdragende stamper in een bloemkelk. De zoete droom van de maagdschap is hem heilig. En toch laat hij zijn heldinnen niet stillekens vrijen, met ascese, en ver-zoetelijken in platonisch liefdegeblerk. Hij geeft ze brandend bloed mee en zoele zinsbegeerten, maar door hun bruisend verlangen gaat een maagdelijke tempering, zacht-gedonsd als een blos, innig als de schrik en verbluffing van een kuisch meiske dat voor 't eerst in eenzaamheid gekust wordt.
Er is iéts in het leven waartegen de somberste pessimist machteloos staat.... een kinderlach. Dien kinderlach hebben de heldhaftige liefdesvrouwen van Shakespeare's drama's. Ze wachten op den kus, de streeling, de hartstocht-koeling, maar 't wordt nooit versmeltende erotomanie, een walm van lijfsliefde; ge ziet geen schokken van hysterie, geen plagerige, zenuwzieke grillen. En vooral is het geen kattig-speelsch, nagelsin-en-uittrekkend, pervers zich geven in de terughouding en een-zich-terughouden-in-'t-geven, als bij de Fransche mondaine heldinnen. De liefde