HET IVOREN AAPJE 137
ge een man van ontroering en een soms heerlijke gevoeligheid.
Laat ik echter, voor ik verder ga, eerst het wezen van verstands- en gevoels-vernuft karakte-riseeren, naar ik pas deed in een Shakespearestudie en waarmee ik tevens Teirlinck's aard kenmerk.
Het zinsgenot van Shakespeare's vrouwen is voor de romaansche sexualiteits-begrippen onvatbaar, wijl het zwoelloos-germaansch dóorgebloosd is uit schroom en kuisch-schuwe, aangeboren sexe-schaamte. Shakespeare dichtte een vrouw-idealiseering van innige heldhaftigheid. — Geen koud-olympieke, maar bloedwarme menschen-gestalte gaf hij haar. De Franschen, met hun opera-bouf f e-achtige zedenkarakteristiek en vaude-villes-knussige moraalderij-scherts, voelden zich dra cynisch geprikkeld door den dauwreinen, zoeten kweeltoon van een Miranda- of Julia-liefde. Ze belachen onmiddellijk zulke verhevenheden. Shakespeare's molen liep door de vang. Hij maalt zich met zijn lyrische gezwollenheden in brand. Zijn wieken worden vuur-spaken. Hij ijlt. Ze verlangen zwier en lichtzinnige scherts ook in het liefde-woord, en de gracie van den zin, de elegance van de taal, weegt hen zwaarder dan de psychische ernst van een hartstochtelijk minnaar. De Fransche geest blaast kouden en