136 STUDIËN
zuidelijkheid gewiegd in den cadans der ranke zinnen, maar ook beschminkt met blosjes en gloedjes, vreemd aan de oorsprorfkelijke gaafheid van zijn ras.
In Teirlinck is een kruising van vele eigenschappen en werkingen. Fijne emotiviteit en koud-vernuftige woord- en beeldschikkings-routine. Hij is zoet tokkelaar van weeke volzinnetjes, en gelijkelijk een ijdel en opdirkend prater, koel-zinnig het effect zijner welsprekendheids-proeven in hun uitwerking op zinlijke zielen beloerend.
De zicht op één groep van dingen, bij Streuvels en Teirlinck, leidt in deze twee Vlamingen tot twee geheel verschillende kunstuitingen. Teirlinck is gretig schitter-vernuft, verfijneling, die met beeld, klank en rhythme wil bedwelmen. Zijn taal is als een vreemd-zoete roke, een fijn-geurigheid die de zinnen aantast, tegelijk in wilde roering brengt en benevelt. Hij werkt op zoete klank- en woordstreelingen en hij gebruikt woorden zinswendingen, geheel door het berekende vernuft naar zekere trage stemmingseffecten gedreven. Ge voelt kregel dit raffinement, dat branderige en broeiende van dien zinlijk aangestoken, ongedurigen, sensaties verslindenden geest; ge wordt u bewust dit zonderling-speelsche mengsel van verstands- en gevoels-vernuft. Het overbluft u, want dwars door het woord-virtuoze voelt ge toch een hart beven en hameren, voelt