OVER SPEENHOFF 131
hoort, om later, in betere tijden, hooghartig-schamper en hatelijk een schets er van te geven. Bij Speenhoff vloeit 't innerlijke leven mee mét de waarneming en de kennis van de volkshartstochten, 't volkskarakter. Al het mooie in zijn verbeelding, gevoel, al het innige van zijn zingend hart, al het fijne van zijn ironie geeft hij aan dat leven. Hij beziet het met liefde, met graagte, met gretige goedheid, en eerst als hij alles individueel heeft doorvoeld, objectiveert hij zich in hun verbeeldingen, visioenen, smarten, angsten en geringe vreugdens, smult hij mée van hun oorspronkelijke levens-hevigheid, hun kwinkslag, ironie en kinder-naieve snaakschheid. 't Gelukkigst is Speenhoff in de ziels-objectivatie van zekere volksgemoeds-ontroeringen. En daarin zuiverder van psyche en woordverklanking dan menig hoogvliegerig modern rijmelaar die mythologische onderwerpen wil bevruchten. Minder ordinair dan vele passie- en van ״verdoemenis"-mee-leuterende nabootsers-sonnettisten, wier voos gebrabbel en valsch klankgespeel d' ooren scheuren laat.
Soms kan ook Speenhoff, heel flauwen, heel erg maakwerkerig verwrongen boert voortbrengen. Maar vaker zijn Speenhoff's liedjes gedrenkt in distinctie, van een fijne, innige, menschelijk-zuivere gevoeligheid, een zoet-wel-