132 STUDIËN
luidende en zangerige eenvoudigheid. En even vaak raak, den spijker op den kop slaand, van een lenige plastiek, los, hoogelijk koddig en in-geestig van leukheid. — 't Hollandsch-zinspreukige in zijn arbeid is door en door echt. 't Karakteristieke en snel-saamvattende niet minder. Soms plat en vluchtig, éven neigend naar het melo-dramatische redt hij de lagere deelen van zijn arbeid door een zekeren smaak, die zelden geheel faalt.
Men veronderstelt allicht dat zijn volksboert slechts weinig hoogere intelligentie vereischt, slechts voor het café-chantant-voetlicht behoeft op te fonkelen voor een tél, en dan weer kan verdwijnen.
Dit lijkt me alle vel een misverstaan van Speen-hoff's liedjes. Speenhoff heeft meer talent in zijn pink dan heel wat pompeuze, holle, moderne dichterlingen met naam en reputatie, verschijnend in groote tijdschriften, en daar hun ik-en-ziels־smart uitwringend over het kostelijk-blanke papier. Hij heeft veel meer talent dan een troep romanschrijvers en -schrijfsters die allerlei lofpluimpjes bijeenzoeken en tegen den Sint-Nicolaastijd, hun uitgever, de veertjes bijeen doen lezen in een pers-prospectus, omhun deugden en gaven blufferig te zien etaleeren. Als hij er wat meer menisten-leugens op nahield zou hij al veel eerder onder de heusche dichters genoemd zijn. Zoolang 't echter Speenhoff in