130 STUDIËN
volk. De menschen voelen onmiddellijk, dat in Speenhoff een wezen spreekt, dat hun lijden en wee gepeild, hun verdrieten met echt meegevoel doorleefd heeft. Ze voelen zich opgelucht door zijn woord, zijn beschimping of afstraffing. Hun zwoegen, lachen en huilen begrijpt hij, en hun schuw geknies of dronkemanslawaai of uitgetarte woede óok. Hij heeft ze, als vele z. g. volkszangers en volks-beschrijvers, niet alleen van allen kant waargenomen met het verstand, de objectiveerende observatie, maar vooral met de ziel doorvoeld. En niet alleen de groote volksdriften en hartstochten, maar allerlei soorten van neigingen in allerlei slag van menschen; in bedelaars, schooiers, kleine kleuters, mariniers, dienstmeiden, zwoegers, jonge en oude vrijsters, in wellustelingen, zeelieden, verlaten, gescheiden, overspelige vrouwen, in schoonmama's, dienders, kinderen van de zonde, enz. Ook aan dit vermogen dankt hij groote populariteit; zijn zuiver en innig, onopgesmukt, on-rhetorisch zich inwerken in het denk-, gevoels-, en uitdrukkingsleven van al deze soort menschen der lagere standen. Niets leegs virtuoserigs kleppert er om heen. Het is nooit door walgelijke ervaringen uit zich zélf geobjectiveerde kennis van het volksleven die een gesjeesde student, noodgedrongen, zich een poosje eigen maakt, als hij leeft, verzakt en verzonken in kringen waar hij niet thuis