128 STUDIËN
kan het soms zoo mistroostig treuren, zoo echt weemoedig en week. Een weemoedige levens-verinniging, waarvan, als contrast van rauwe wrangheid en sardonische scherpte, het volk houdt. Als het pas een uitgolving van walg heeft gehad, na veel zwoegend leed en verbitterende ellende. Hij kan zoo heel zachtjes dien zwervenden weemoed met zijn weeke liedjes de volksziel uitlokken, het volk dat zoo veel subtiele teederheid verschuilt achter ruw gedrag en verborgen gesnik. Het komt er niet op aan of deze weemoed losbreekt bij straat-orgelmuziek op een regen-triesten winternamiddag, onder den grauwen druil van lage wolken, öf, als 't saamgedrukt zit op houten stoeltjes, heel achteraan, bij de nederige rangen, — vér van het schelle tooneel-licht, — bij 't zien van beschminkte wangen en veel klatergoud, deze losweekt onder de aandoenlijke stem van een zanger als Speenhoff, — ze ondergaan die vreemde heimwee en ze minnen er den man méér om.
Een ander element van zijn succes: de soort zijner geestigheid. Alles is beknopt, berekend op effect, maar toch verrassend door onvoorziene wendingen, en doorstoeid van een snaaksche plaagzucht, die den lach niet van den mond laat gaan. De ondeugd in alle vormen, bij mannen en vrouwen, is zijn zondebok. Dan siert hij haar óp als een paaschos, dan weer bepronkt hij haar