126 STUDIËN
doen. Ze voelen zich Speenhoff en Speenhoff weet zich publiek. Er is geen tweede dichter-zanger in ons landje, die het publiek zulke blank-roomige, frisch-kleurige rijmelarijtjes kan voor den neus zetten als hij. Geen tweede, die zoo heelemaal het levende, stoeiende, lachende publieklichaam wordt als hij, Speenhoff met zijn liedjes. Alles wat de Hollandsche massa kittelt, kan doen lachen, schreien, even ontroeren, zelfs doen beven, maar dadelijk daarop weer kan doen uitschateren, geeft hij, is van en uit hem. Hij snoert de menschen vast aan zijn woord, hij wringt zich en kronkelt met hun gevoel, verbeelding; hij grabbelt in hun speelsche hartstochten; hij smelt hun harten of verijzigt ze. Hij voelt, denkt, spot voor hen; hij hekelt, striemt voor hen. Hij jubelt en juicht uit hun naam; hij deelt pluimpjes uit of knalt knoetslagen af.... alles uit hun naam. Want zij kennen nu ook door en door dien snaak met zijn stille houding, met zijn guitaar en zijn droog gezicht. Hij kan kwellen, vlooien knappen, boert uitslaan, kwinkslagen verrommelen, maar ook zoo vroompjes stemming maken voor iets dat heel teer en fijn is in 't leven. Hij is geen kregelige kribbebijter, geen nagel aan de doodkist der critiek. Hij vertelt van het burgerleven, van naald tot draad, al wat er zoo voorvalt op straat, in huis, in kroeg en slecht befaamd huis, op beurs en theater, onder schooiers en zwervers. En hij