124 STUDIËN
zijn bont-koddig aan de kaak-stellen. — Triviale en vooze mooidoenerij op moreel of welk ander gebied ook hekelt hij met wrekende woorden, en heerlijk is zijn minachting voor allerlei verschrompelde levensdeugdjes en braafheidjes, die geen ander humanistischen oorsprong hebben dan verholen ijdeltuiterij. Speenhoff's satire is een wapen, waarmee nooit hij zich zelf wondt. Het conventioneele bespot hij, zonder haat, zonder drift. — Hij heeft een zekere dichterlijke cierlijk-heid in woordvoeging, die, 't gemeene behandelende, zelf nooit gemeen wordt.
Toch heeft hij geen geprononceerd meenings-leven. Een voorwaarde voor zijn populariteit. Een partij- of groepman zou nooit zijn succes veroveren, al dichtte hij tienmaal mooier dan Speenhoff, al ware hij veel rijker aan innerlijk leven. Een man als Speenhoff, op wien 't publiek zoo verzot is, moet met alles kunnen spotten, mag niets hebben te ontzien. — Socialisten moet hij kunnen hekelen, liberalen kunnen be-schelden, antirevolutionairen aan de kaak stellen, room-schen begrinneken, idealisten afmaken, realisten belachen. 't Moet om hem heen knetteren van moppen en ironische zevenklappers en sissende voetzoekers en vonkend zonnetjes-gewentel. Op zijn koddig-eigenzinnige wijsheid-verzingende manier rekent hij af met alles wat hèm en de onbe-