122 STUDIËN
zijn nooit-dik-opleggen, zijn eenvoud en haast schroomvallige bedeesdheid. Want deze man van snerpende satiriek, durf en bijtende hoon, lijkt mij, in 't openbaar optredend, van een bijna onbeholpen timiditeit en schuwheid. Hij geeft zich, maar teruggetrokken en afgewend. En hoe fijner van guitigheid hij tapt uit het patersvaatje, hoe onbeholpener van timiditeit hij zelf wordt. Dat is kenmerk van weinig geestelijke abruti-seering, ondanks omgeving van hoepelspringers, clowns, jongleurs en beestentemsters.
Speenhoff is geen man van een sterk meenings-leven; van politieke, economische, wijsgeerige en literaire studie; geen maatschappij- en standenhater als Aristide Bruant. Hij mist ook 't cabaretachtige zwoele, verhit en verwrongen sensueel cabotin-geanarchistiseer van den acteurigen bluf-franschman, die overdonderde met zijn uitdaging, vloekzangen, wrange tragiek en beestachtig-hedens-onthullingen van een mensch-zoemende metropolis. Speenhoff mist Bruant's dreiging en aanstellerij, diens cynisme dat doodsteenigde, folterde of wrokte, diens gif dat inbeet als 'n zuur: Speenhoff mist ook Bruant's hartelooze hevigheid, diens woorden als messteken de hoofden ingepord, dat wreed-grinnikend koude-lemmeten-op-de-keel-zetten aan angstige en wroegende zondaars.
Het wulpsch-visioenaire, donkere, haatgele,