OVER SPEENHOFF ii9
spogen al wat grofzielige en grofzinnige menschen aan prikkelende liederlijkheid en onbeschaamd-scabreuze viezigheid maar wilden kwijt wezen. Dat remde Speenhoff door zijn frissche, leuke, geestige, geheel binnen de grenzen van zijn uitdrukkings-vermogen blijvende liedjes-inspiratie en sobere voordracht. Hij wilde geen hoogvliegerij, en geen melo-dramatiek. Hij wilde het volk wat zuivers en simpels, wat innigs en fijns, wat weemoedigs of bijtends geven van een modern mensch die veel doorleefde, in alle kringen rondzwierf en met veel onbewuste psychologie typeerde of doorzag. Hij is dus niet tot het publiek afgedaald dat zich te stuipen lachte aan de meest vooze boert en schunnigheid, maar het publiek heeft zich tot Speenhoff opgewerkt. Wijl hij het doorzien heeft en het meetrok naar zijn sfeer.
In zijn liedjes is Speenhoff geboren voor het succes der massa met haar mild applaus, haar dankbare opgewondenheid, haar humor-gevoel en haar spontaan bewonderen van een soort hooghartige leukheid. Als Speenhoff daar staat te zingen, door zijn valsch-guitaarspel begeleid, maar met een heel gevoelige, soms ietwat klaaglijke en zoete stem, dan leeft er iets in 't publiek dat ge opvangt in de trekken der gezichten, in 't oogenlichten, in de gebaren. Hij pakt, pakt, door zijn bij na-voor name ingetogenheid,