120 STUDIËN
schen van een grofzinnig, innig-vulgair gehalte. Ze noemen het wellicht volkspluimstrijkerij, een zoetig mouwstrijken van het onbeschaafde volk, een verhoogd soort narleven, dat, bedwelmd onder het applaus der eeltige handen en wég onder den bluf der café-chantant-geldrondstrooierij, de liedjes-kunst versloft tot iets onuitsprekelijk onaanzienlijks. De muze onder den rook van een slecht trekkenden schoorsteen in een rommelig-duffe burgermanswoning, inademend den walm van stinkende vuurmakers en petroleum. Een val, een verlaging van het lied.
Toch jegens een man als Speenhoff is dit oordeel valscjh en voos. Speenhoff is geen door publiek-succes smaakloos-vergrofde hansworst en futlooze grappenmaker, gelijk het grootste aantal potsenmakers en liedjes-zangers en planken-kriebelaars onder de onzalig-zingende, krij-schende, zelf-voordragende en zelf-componee-rende bent van hollandsche komiekelingen, met hun grove, gore effecten en ongure succesmiddelen. Speenhoff heeft eigenschappen, als dichter, als zanger zelfs nu en dan. Speen-hoff's oorspronkelijkheid allereerst. Vóór zijn optreden werd er door de café-chantant-komieke-lingen, van liedjes-declameerende zangers, meestal van vreemden bodem, gekaapt; werd in slecht Hollandsch overgezet, verwrongen van beeldspraak, duldeloos van rijm-platheid, eruit ge-