GEMEENSCHAPS-PHILOSOPHIE III 115
Dit roode aderspoor van smart groeft er door den stijl van Van Treslong. Hij geeft niet slechts een begrippen-analyse, maar ook een dramatische-visioenaire omschrijving van hartstocht,- wils-, en stemmingswerkingen. Dat is de romantiek der wijsbegeerte, der begrippen-dialectiek. Wie heeft durven hopen, dat er ooit zooveel gevoelsleven gegeven zou worden aan zooveel dor-dialectische theorie!
De theorethische wijsgeeren kennen de bekoringen niet van de phraseeringen en den zang. Ze praten over de mysteries en de aandoeningen van het leven als uitgeleegde mummies, in wier oogenholte de eeuwen een grauw stof geblazen hebben. Ze zien slechts schaduwen, en merels hooren ze nooit jubelen in zomer-blauwe wolkluchten. Retort en spoel-kom en laboratorium-gas zien en ruiken ze alleen. Maar voor jammerklachten van gebrokenen en gewonden zijn ze doof.
O! die knappe, afschuwelijk knappe sociologen en psychologen, met de treiteringen van hun stof-nuchtere verstand, hoe sarrend uitgebleekt befolianteeren en be-archivarissen zij de zingende aarde en het gloeiende licht. Kwam er maar een ziertje, een vonkje menschelijkheid in al hun theorieën over 't leven en de menschen. Maar hun beeldspraak zegt al hoe het muft in hun hart. Hun taal is log, vadsig, zwaar; mist lenigheid en ranke buigzaamheid, en bij iederen