112 STUDIËN
tot stelsel. — En terwijl de peinzer tot u spreekt, hoort ge telkens den snik en den zang van den dramaturgischen levens-ziener, onherkenbaar voor u door zijn geestelijke vermomming. — Zóó kunt ge het werk van Van Treslong voelen. Hij is een soort ziener, een zeer geëmotioneerd mensch, maar die alles objectiveert en in de dagen dat hij boven zijn ontroeringen en troebele ziels-heimweëen uitstijgt, zijn droeve en toch innerlijk-sterke en blijstemmig-ernstige contemplaties stelt, richtend over zich zelf en anderen. Daarom leeft en zingt zijn proza soms zoozeer, omdat er een schepper, een tragicus in hem worstelt, zelfs een romanticus van zeer iel gehalte. Duifjes kunnen zoo droef koeren in het schoonste zonneweer, maar toch hun dauw-glanzige veerentooi ompraalt ze en steekt den dag aan in schoonen schijn van zachte tinten. Zóó veel, in het ernst-blijstemmige en vrede-zoekende van Van Treslongs woord.
IV.
Het philosophische proza van Van Treslong is dikwijls van een schoone en klare beeldrijkheid. Dogmatische Marxisten zullen hem wellicht een warhoofdig lyricus noemen, een wijsgeer met gezwollen krop, een dichterlijk uitwerpsel, een heer met zware ideologie belast, amper iets begrijpend van de grondvormen der maatschappelijke ontwikkeling, een soort metaphysisch kwak-