GEMEENSCHAPS-PHILOSOPHIE III 113
accent, ze werken allen mee in de bevestiging van zijn gedachten-stelsel. — En terwijl hij als eigenaardig woordkunstenaar de beeldende werkingen van het woord vasthoudt en spreidt naar teed're evenredigheid over zijn taal, en doorziet haar schoonheids-effecten, blijft het gedachten-innerlijk van zijn geest zuiver-abstract en wijs-geerig-wetenschappelijk aan den arbeid, be-heerscht hij vorm en inhoud, schept hij een geheel van denk-voelingen, een geheel, waarin gedachten en gevoel van een prachtige dooreen-schakeling, in eigen onbewustheid niet weten dat bij anderen zooiets ooit gescheiden en afzonderlijk zou künnen bestaan! De grondfunctie van zijn wijsgeerigen geest is scheppend! Zijn visioenen in hem scheppen gedachten en zijn gedachten weer visioenen. Er is een tragische diepte in zijn stem, en vooral het dreigend-donkere en onheilspellende voelt hij groot. Wacht, zóó kan ik hem u nog laten zien in zijn werk-innerlijk. Stel u voor een groot dramaturg, die, door een plotselinge ingeving beheerscht, meent dat hij van al zijn lévende dramatis personae gedachten-symbolen moet maken, en die nu, uit de donkere diepte van zijn meest onbewust denken, zijn dramatische schep-pingsgave reconstrueert in een wijsgeerig systeem. Dan krijgt ge een verbijsterenden mengvorm van groot dramatisch bedwongen uitgebeeld gevoel in een wijsgeerige perceptie saamgedrongen