230
met vurige liefde voor het oude Jodendom, toog de nieuwe rector aan het werk. Veel had hg in het eerst te strijden; den hervor-mingsgezinden was zijn streven het allerminst naar den zin, want zg vonden in Dr. Diinner een geducht kampvechter tegen waanwijsheid en schijngeleerdheid, die al hun hervor-mingsplannen in duigen wierp; doch ook van den kant der strenggeloovigen had Dr. Dünner met tegenwerking te kampen; hier vreesde men weder, dat de nieuwe richting verzwakking van den Joodschen geest ten gevolge zou hebben. Dr. Dünner ging evenwel, zonder naar rechts of links te zien, kalm den weg, dien hg zich afgebakend had en ... . het bleek de juiste. Zgn onderricht leverde schitterende resultaten op, hetgeen wel het duidelijkst blijkt uit het feit, dat bijna alle Joodsche godgeleerden en godsdienstonderwijzers hier te lande in zgn school gevormd zjjn en in hun verschillende ambten en bedieningen tot verheffing van het oude Jodendom bijdragen. Oeen wonder, dat in 1874, toen men te Amsterdam weder een opperrabbijn wilde benoemen 1). de keus viel op den rector van het Seminarium; op 18 October van dit jaar werd Dr. Dünner dan ook tot geestelijk hoofd van het ressort Noord-Holland benoemd. Ook als zoodanig toonde Dr. Dünner zich een trouw, beginselvast bewaker van de heilige traditie des Jodendoms. Zjjn leerredenen, waarvan verscheidene in druk verschenen, munten uit door keurigen vorm, bondigen stjjl en diepen gedachtengang. Ook het lager godsdienstonderwijs vond in Dr. Dünner een warm bevorderaar. Na een arbeid van 50 jaar in dienst des Jodendoms ontsliep in 1911 de groote leidsman van Nederlands Israël. Zjjn nagedachtenis blijft onuitwischbaar in het hart van tijdgenoot en nazaat gegrift.
Geheel in den geest van Dr. Dünner, waren en zijn de achtenswaardige mannen, uit zgn school voortgekomen, in het belang des Jodendoms werkzaam, zoowel in hun ambtelgken
‘) Sinds den dood van R. Samael Berenstein (1839) was deze opperrabbinaats-zetel onbezet