229
Aan hem danken wij tevens de Nederlandsche vertaling van het Machzor en van eenige Bijbelboeken.
Zoo doorleefde het Nederlandsche Jodendom een tijd van bloei. Geleid door godvruchtige opperrabbijnen en leeraren, bestuurd door achtenswaardige voorgangers, ging het kalm zijn weg voort. Doch het zou anders worden. De nadeelige invloed der Duitsche hervormers werd ook in ons land merkbaar. Ook hier waren er, die den eeredienst, het onderwijs, het geheele Joodsche leven op een andere leest geschoeid wenschten te zien. Te Amsterdam ontstond zelfs een Vereeniging, die in dien geest werkzaam wilde zjjn. Wel werden deze pogingen door het optreden van de rabbinale assessoren R. Abraham Susan en R. Jozef Hirsch verijdeld, doch men begreep, dat tot behoud van het zuivere Jodendom andere wegen moesten worden ingeslagen. Men had, evenals in Duitschland, mannen noodig, die aan grondige Joodsche geleerdheid algemeene kennis paarden; alleen dan zou ook in ons land de kracht der hervormingsgezinden gebroken kunnen worden. Het Neder-landsch-Israelietisch Seminarium 1)moest worden een inrichting, waar de jongelingschap zich kon bekwamen zoowel in hoogere Joodsche als profane wetenschappen; de Joodsche geestelijke moest worden de man, die het gansche gebied van Joodsch weten beheerschte en in maatschappelijke kennis zich met profane geleerden kon meten. Om deze ingrijpende hervormingen tot stand te brengen, bestond er behoefte aan een man, die naast uitgebreide geleerdheid een groote mate van wilskracht bezat en over talent beschikte, om zijn denkbeelden tegenover ieder te verdedigen. De bestuurderen van het Seminarium vonden dien man in Dr. Jozef Hirsch Dünner (geb. te Krakau 1833). Na den dood van R. Abraham Susan werd Dr. Dünner tot rector benoemd en met de organisatie der Instelling belast. Bezield
') Onder de regeering van Willem I was de oude leerschool (zie blz. 126) onder den naam Ned. Israël. Seminarium tot een rijksinstelling verheven. Er werd onderwijs gegeven in de gewone schoolvakken. Tot het voleindigen hunner stadie begaven zich de hoogere geestelijken gewoonlijk naar Duitschland.