224
valt er in den jongsten tijd eenige verbetering te bespeuren.
In de Oranjevorsten vonden de Joden, evenals vroeger, machtige beschermers. Willem I duldde niet, dat Nederlandsche Joden, die tijdelijk in het buitenland vertoefden, daar bemoeilijkt werden. Zoo richtte hij vertoogen tot de regeeringen van Zwitserland en Zweden, waar de Joden toen nog geen toegang hadden en eischte hy vrijheid van beweging voor zijn Joodsche onderdanen, die in deze landen wilden reizen. In 1816 schreef hij op verzoek van de Rothschilds aan zijn gezant te Frankfort, dat deze met kracht moest optreden ten gunste der Duitsche Joden en niet mocht toestaan, dat zij in de rechten, hun bij het Weener Congres toegekend, verkort werden. Zijn toege-negenheid jegens Israël bljjkt ook uit de groote sommen, die hij herhaaldelijk zoowel uit de staatskas als uit eigen middelen voor Joodsche doeleinden beschikbaar stelde. Dezelfde wel-willende gevoelens koesterden zijn opvolgers Willem Q en Willem III. In 1863 weigerde de Tweede Kamer een handels-verdrag met Zwitserland te sluiten, omdat de Joden in dat land nog aan uitzonderingswetten onderworpen waren. De tegenwoordige vorstin, onze geliefde koningin Wilhelmina, maakt, evenals haar doorluchtige voorvaderen, geen verschil tusschen haar Joodsche en niet-Joodsche onderdanen. In de door Haar aangeboden wetsontwerpen wordt zooveel mogeljjk ook op de eiscken van den Joodschen godsdienst gelet. Zelfs in de moeilijke oorlogsjaren hield de Nederlandsche regeering, voorgelicht door de Joodsche autoriteiten, bij de voedselvoor-ziening en den militairen dienst, rekening met de Joodsch-godsdienstige belangeD.
De Portugeesch-I8raelietische Synagoge te Amsterdam genoot in 1904 de eer van een koninklijk bezoek; in 1924 bezocht de koninklijke familie met gevolg de ״Groote Synagoge” te Amsterdam en woonde er met buitengewone belangstelling een dienst te harer eere bjj; in 1926 vereerde het Koninklijk