223
van Justitie benoemd. Verscheidene Joden verwierven ook een zetel in de Volksvertegenwoordiging; zoo namen A. C. Wertbeim (gest. 1898) en Mr. F. S. v. Nierop (gest. 1924) in de Eerste Kamer een invloedrijke plaats in. Wertheim, wiens leven geheel gewijd was aan de bevordering van de belangen zjjner medemenschen, genoot om zijn edele eigenschappen de achting van het gansche Nederlandsche volk. Amsterdam, de stad zijner inwoning, eerde hem na zijn dood, door een stadsgedeelte naar hem te noemen 1). Een bijzondere plaats in het Neder-landsche staatsleven nam Prof. Mr. Jacq. Oppenheim in. Oppenheim, lid van den Raad van State, die in 1924 overleed, was voor alle partijen de vraagbaak op het gebied der gemeen-telijke politiek. Bij zijn begrafenis stond de Prins der Nederlanden vooraan aan de groeve. Aan het onderwijs en de rechtspleging wijdden eveneens vele Joden hun krachten; een grooten naam verwierven zich o.a. de hoogleeraren Mr. J. E. Goudsmit (gest. 1882), Dr. B. J. Stokvis (gest. 1903), Dr. S. S. Rosenstein (gest. 1906), Mr. L. de Hartog (gest. 1918) benevens Mr. A. A. de Pinto, lid van den Hoogen Raad (gest. 1907). Ook in onze dagen worden gewichtige staats-betrekkingen door Joden vervuld. Bljjkt uit dit alles eenerzijds dat, geljjk de Staatsraad M. C. van Hall in 1842 schreef, ״de Joden zich sedert vele jaren de politieke gelijkstelling met hunne andere medeburgers meer en meer hebben waardig gemaakt”, anderzijds toont het aan, dat het Nederlandsche volk niet ontrouw is geworden aan de schoone beginselen van Willem van Oranje en verdraagzaamheid en geloofsvrijheid met kracht handhaaft. Treurig stemt het slechts, dat zoovele Joden, die een hooge plaats in de Maatschappij innemen, de Joodsche godsdienstwet geheel den rug toekeeren en zelfs hun Joodsche afstamming verloochenen. Wat het laatste betreft,
9 Dezelfde eer viel ook te beurt aan den reeds vermelden Mr. J. D. Meyer en Dr. S. Sarphatie, den stichter o.a. van het Paleis voor Volksvlijt.