192
Remo, 24 April 1920, waarbjj de vredesvoorwaarden tusschen de geallieerde mogendheden en Turkse werden vastgesteld, werd bepaald, dat aan Engeland bet beheer over Palestina werd opgedragen en dat het den Joden gelegenheid moest geven, in het land hun nationaal tehuis te stichten. De door Engeland te ontwerpen bepalingen van deze opdracht (mandaat) zouden door den Volkenbond moeten worden goedgekeurd.
Minderheidsrechten. Voor de rechten der Joden in de nieuw gevormde of vervormde staten wendden verschillende Joodsche organisaties zich tot de Vredesconferentie. Behalve het Comité des délégations juives traden de Alliance Israélite, het Engelsche Joint Foreign CommitteeJ) en de Agoedas Jisroeil tot dit doel op. De Agoedas Jisroeil bepleitte voor de Vredesconferentie in het bijzonder de belangen der Joden in den nieuw gevormden Poolschen Staat. Zij vroeg voor hen de volledige burgerrechten en zelfbestuur op het gebied van den godsdienst en het onderwijs, alsmede steun uit de staatskas voor de Joodsche scholen en liefdadigheidsinrichtingen naar evenredigheid van het zielental. In ,t bijzonder eischte zij voor de Joden vrijheid om op Sabbath te rusten en de overige zes dagen te arbeiden. Dergelijke bepalingen zouden ook in de overige vredesverdragen moeten worden opgenomen.
Het Comité der délégations juives eischte voor de Joden in alle nieuwe staten niet alleen de volledige burgerlijke gelijkstelling, maar ook hun erkenning als een zelfstandige nationaliteit en de toekenning van nationale rechten o.a. het recht om met geldelijken steun van den Staat eigen scholen te onderhouden, waar het onderwijs niet zou worden gegeven in de taal van het land, doch in de Joodsche taal (Hebreeuwsch of ״Jiddisj”), benevens het recht op vertegenwoordiging in
ן) Dit comité heeft zich gedurende den oorlog gevormd en bestaat uit afgevaardigden van de Board of Deputies en de Anglo Jewish Association. (Zie blz. 172).