188
nam z\j de volgende verklaring aan: ,Het bevolken van Palestina met Joden, die daar een godvruchtig leven willen leiden, wordt door den Joodschen godsdienst als een voorname plicht beschouwd. Op grond hiervan hebben in den loop der eeuwen vele Joden hun woonlanden verlaten en zich in Palestina gevestigd. De wetgetrouwe Jodenheid verwacht, dat Turkije na den oorlog deze godsdienstige gevoelens zal eer• biedigen en de vestiging van Joden in Palestina zal bevorderen. De ontwikkeling eener Joodsch-godsdienstige gemeenschap in Palestina is het best mogeljjk, ais, onder Turksch opperbeheer, aan de toekomstige Joodsche koloniën voor inwendige aan-gelegenheden zelfbestuur wordt geschonken en een Joodsche landelijke vertegenwoordiging door de regeering zal worden erkend.”
De Turksche regeering was tot onderhandelen bereid en werd hiertoe door Duitschland en Oostenrijk aangemoedigd. Een Joodsche afvaardiging, waartoe ook behoorden leiders der Duitsche Zionisten en der Agoedas Jisroeil, begaf zich naar Konstantinopel om met de regeering besprekingen te houden. Men kwam overeen, dat een Joodsche kolonisatie-vereeniging zou worden gesticht en dat aan het Turksche parlement een wetsvoorstel zou worden voorgelegd, dat aan de verlangens der Joden in de landen der Duitsche coalitie zou tegemoet komen.
Turkije kreeg evenwel geen gelegenheid, zjjn goede voor-nemens uit te voeren. In het najaar van 1918 eindigde de oorlog met een volkomen nederlaag der Duitsche coalitie, zoodat de regeling van den staatkundigen toestand van Palestina uitsluitend berustte bij Engeland, dat de Balfour-verklaring had afgegeven en bij zijn bondgenooten, die haar hadden goedgekeurd.