ZIONISME. 153
dat het Zionisme mogelijk zou kunnen schaden. Zoo was het bij de oprichting van de Zionistische Bank in Londen, zoo was het bij de voorbereiding van de congressen, zoo was het bij de politieke onderhandelingen die hij te voeren had met staatslieden en met de hoogste machthebbers, die hem herhaaldelijk blijk gaven van hartelijke waardeering voor zijn streven. Dank zij Herzl is men daar ingelicht, men erkent het recht van bestaan van het Zionisme. De historieschrijver zal Dr. Herzl recht doen wedervaren en zal hem doen erkennen als een van de grootste zonen van het Joodsche Volk.
Dr. Herzl’s innemende persoonlijkheid en gemakkelijke omgang bezorgden hem een grooten vriendenkring, met een kern op welke hij onder alle omstandigheden kon rekenen. Hij wist zijn vrienden in de Zionistische beweging in te spannen; ook zij moesten „payer de leur personne.” Zij vormden als het ware Herzl's gene-ralen staf, en onder hen waren twee mannen, die meer dan alle anderen op den voorgrond kwamen; dat zijn David Wolffsohn en Max Nordau.
Degenen, die in 1907 het groote Zionisten-congres in Den Haag hebben bijgewoond, zullen wel hun gansche leven den machtigen indruk behouden, dien de rede van Nordau op alle aanwezigen uitoefende. Waarschuwend verheft hij zijn stem, en telkens weer. En met onverbiddelijke logica toont hij aan dat de Jood, voor wien