ERETS ISRAËL
I48
mijn geloof: dat een ieder behoort te aanvaarden de taak die hij op zijn weg vindt, en die taak naar zijn beste vermogen moet trachten te volbrengen. Mijn geloof, dat de betrekking tusschen God en de menschen niet opgehouden heeft met Moses en de profeten, maar dat ook heden en ten allen tijde elk mensch, die waarlijk het goede wil, zich rekenschap kan geven van wat God van hem verlangt.
De lezer moge mij vergeven, dat ik hier een onderwerp heb aangeroerd, dat buiten het eigenlijke kader ligt van dit geschrift, en dat niet anders dan mijn persoonlijke opvatting weergeeft. Toch leek het mij dienstig, alvorens hierna tot het Zionisme over te gaan, deze korte beschouwing te geven, die naar mijn overtuiging zuiver Joodsch is, en die de kern bevat van al het religieuse dat in den Jood leeft.
Tot de belangrijkste vraagstukken, die niet enkel de binnenlandsche politiek van een of meer staten betreffen, maar voor de gansche menschheid van beteekenis zijn, mag gerekend worden wat onder het Joodsche vraagstuk pleegt te worden verstaan. Hoewel dit vraagstuk eeuwenoud is, heeft het streven om daaraan een bevredigende oplossing te geven eerst sinds een twaalftal