DE JOODSCHE KOLONISATIE. I4I
naar Jeruzalem; plaatsen als Jafïfa worden maar stiefmoederlijk bedeeld. Ik was in de gelegenheid om op te merken, hoe over ’t algemeen de onderwijzers hun moeielijke taak met groote toewijding vervullen. De lokalen zijn klein, de hulpmiddelen gering en de kinderen vele. Ook is er nog gebrek aan onderwijzeressen, die vooral in de lagere klassen beter op haar plaats zullen zijn dan onderwijzers. In Jaffa hoorde ik intusschen, dat verscheidene Joodsche meisjes zich tegenwoordig op het onderwijs toeleggen.
Enkele scholen worden zoowel door jongens als door meisjes bezocht; zij worden daar niet van elkander afgescheiden. Aanvankelijk waren er ouders, die daartegen bezwaren hadden, maar de ervaring heeft ook hier geleerd, dat die bezwaren ongegrond waren en nu zijn de ouders er best mee tevreden.
Goede scholen — dat is het wat de Joodsche bevolking van Palestina thans het meeste noodig heeft. Het is een heuchelijk feit dat ook Dr. Nathan, de stuwende kracht in de „Hilfsverein der Deutschen Juden”, na zijn jongste oponthoud in Palestina tot deze zelfde slotsom gekomen is. Dr. Nathan ziet in Palestina vooralsnog geen veld voor Joodsche immigratie. „Industrie en agricultuur”, zegt hij, „zijn er niet voldoende ontwikkeld om meer dan de nu reeds aanwezige Joodsche bevolking, die trouwens niet anders dan een miserabel