I 22 ERETS ISRAËL
een parasitair bestaan leidt ten koste van hun buiten Palestina levende stamgenooten. Zij wordt ondersteund door de zoogenaamde „Chalukah”. Daaronder verstaat men de bijdragen, die door de Joodsche Gemeenten over de geheele wereld worden ingezameld en naar het Heilige Land worden opgezonden. Oorspronkelijk was de bedoeling, dat met deze gelden vrome lieden in de gelegenheid gesteld werden om zich in het Joodsche Land geheel te kunnen wijden aan Joodsch-Godsdienstige studie, maar hoewel hieraan naar de letter nog wordt vastgehouden, zoo heeft naar den geest deze nobele instelling haar beteekenis in hoofdzaak verloren en is metterdaad ontaard in een den Volksaard bedervende aalmoezengeverij.
Elk land heeft hier zijn eigen bedeelden; zoo ook Nederland. De Nederlandsch-Duitsche „Chalukah”, die door de beheerders uit Amsterdam naar Jeruzalem wordt gezonden, staat, wat het bedrag betreft, belangrijk ten achter bij de Chalukah uit Rusland, Hongarije en andere landen, maar daartegenover zijn in Palestina ook maar weinig Joden van Nederlandsche of Duitsche origine. Dit maakt, dat de Nederlandsche Chalukah-trekkende een grooter inkomen heeft dan de meesten zijner collega’s van andere nationaliteit. Daarbij komt, dat bij de verdeeling der Chalukah rekening gehouden wordt met de grootte van het gezin. Hoe meer kinderen, des te grooter het aandeel in de Chalukah. Zooals deze