DE JOODSCHE KOLONISATIE. I I "J
de Turksche regeering de opheffing te verkrijgen van het verbod, waarbij aan Joden de vestiging in Palestina wordt ontzegd. Aan dit verbod wordt weliswaar niet de hand gehouden, maar kwaadwillige beambten zouden er gebruik van kunnen maken als middel om zich bakshish te verschaffen en het is dus maar beter, dat deze aangelegenheid formeel worde geregeld.
Door interventie van de Europeesche mogendheden werd het bedoelde verbod in dier voege verzacht, dat aan „Pelgrims” ’t bezoek van het land en oponthoud gedurende drie maanden werd toegestaan. De passen, die in het bezit waren van deze „Pelgrims” — en als zulken werden tot nu toe ook zonder uitzondering alle immigreerende Russische Joden beschouwd — werden hen bij aankomst door de Turksche autoriteiten afgenomen en daarvoor roode passen, geldig voor een verblijf van drie maanden, in de plaats gegeven. Die Russische emigranten werden niet alleen zonder eenigerlei moeielijkheden toegelaten, maar het is tot nu toe ook nog nooit voorgekomen dat degenen, die zich daarop voor goed in Palestina gevestigd hebben, wegens hun verblijf werden lastig gevallen.
Wanneer nu de welgestelde emigranten, natuurlijk na te voren voldoende inlichtingen te hebben ingewonnen omtrent den aan te koopen grond, zich in Palestina zullen gaan vestigen, dan zullen mettertijd ook minder bemiddelden, al zij het ook aanvankelijk als arbeiders,