DE JOODSCHE KOLONISATIE. I I I
toestroomen. Iets anders zou het wezen, wanneer zulke groote middelen beschikbaar gesteld werden, dat uitgebreide, veel-omvattende werken konden ondernomen worden, zooals drainage en irrigatie-werken, wegenaanleg en boschaanplanting. De moerassen zouden verdwijnen, vruchtbaar land zou gewonnen worden met het altijd leven-brengende water.
Ik geloof dat het vraagstuk van de watervoorziening in Palestina geen onoverkomelijke bezwaren biedt. In de bergen zijn menigten van bronnen, wier water deels naar zee stroomt, deels in poelen verloren gaat. In de wintermaanden valt overvloedig regen, maar ook hiervan wordt weinig partij getrokken. Ik heb gezien, hoe het water de vruchtbare aarde van de berghellingen meesleept naar de vlakte, waar zich dan plassen vormen, die in de zomermaanden weer geheel of gedeeltelijk verdampen en waardoor koortsen zich in den omtrek verspreiden. Al dat water, dat nu verloren gaat, zou in reservoirs kunnen worden opgespaard en van daar naar de landerijen geleid worden. In de zomermaanden zou dat een weldaad wezen, maar ook in dezen drogen tijd komt de natuur den landbouwer te hulp. Er valt dan veelal ’s nachts een zware dauw, waardoor het gemis aan regen voor een groot deel vergoed wordt.
Water in overvloed is ook gemakkelijk te brengen naar de landerijen, waar de Jordaan doorheen stroomt, van het meer van Tiberias tot aan de Doode Zee toe.