98 ERETS ISRAËL
baar en gelukkig na een scheiding van meer dan drie maanden de mijnen in gezondheid terug te zien.
Aan de verschillende Nederlandsche vertegenwoordigers in het Turksche Rijk betuig ik hierbij mijn harte-lijken dank voor de voorkomendheid die ik mocht ondervinden, steeds wanneer ik mij om raad of bemiddeling tot hen wendde.
Het is de groote verdienste van Baron Edmond de Rotiischild, dat hij zijn hart en zijn beurs geopend heeft gehouden voor de Joodsche kolonisatie van Palestina. Hij heeft daarbij vele teleurstellingen ondervonden, vooral doordien personen, in wie hij zijn vertrouwen gesteld had, zich dat vertrouwen vaak niet waardig toonden. Aan het hoofd van de kolonies stonden zijn administrateurs, maar de controle was onvoldoende. Nog heden spreekt men in Palestina over de vele fouten en tekortkomingen der vroegere administratie. Het zag er een tijd lang naar uit, dat men deze poging tot kolonisatie van het Oude Joodsche Land als mislukt had te beschouwen, en menigeen zou er het bijltje bij hebben neergelegd. Toen de Hiob’s-boodschap aan Rothschild bericht werd, dat in de druiven op Sichron Jakob zich de philoxera vertoonde, was zijn eerste zorg aan den administrateur te seinen: „Stel de kolonisten gerust.”