HET JOODSCHE LAND. 93
kwamen we niet verder dan Uschak, waar de stationschef ons mededeelde, dat de spoorweg door overstroomingen ernstig geleden had. Het voorjaar van 1907 kenmerkte zich door hevige regens over geheel Klein-Azië en ook de Anatolische spoorwegen ondervonden daarvan de schade. Reizigers naar Constantinopel waren onder niet veel betere omstandigheden dan wij naar Smyrna.
We zetten op goed geluk onze reis voort, maar bemerkten al spoedig dat er iets niet in den haak was. Een aardstorting had de uitgang van tunnel No 13 (!) nagenoeg versperd, zoodat de trein niet kon passeeren. We moesten aan het einde van den tunnel uitstappen en wachten tot een andere trein ons weer kwam afhalen. En tot overmaat van ramp bleek voorbij Alacheïr een brug zoodanig geleden te hebben, dat zelfs voetgangers niet meer werden toegelaten. We stoomden dus weer naar Alacheïr terug in volkomen onzekerheid, wanneer we onze reis zouden kunnen vervolgen. De stationschef, een Franschman, was zeer voorkomend en stelde bedden tot onze beschikking, maar de spoorweg-maat-schappij haastte zich niet om ons uit onze gevangenschap te verlossen. Wij wendden ons telegrafisch tot den Neder-landschen Consul in Smyrna, die dadelijk onze belangen ter harte nam. Na een verblijf van bijna 40 uren in Alacheïr mochten we te voet over de spoorwegbrug, die men wat versterkt had; en aan de andere zijde wachtte ons de trein, die ons naar Smyrna bracht.