223
tigd, maar de straf zal niet vergeefs geweest zijn.”
„Wat ben je groot en mooi als je zoo spreekt, Claus. Ik zou je dan willen aanbidden als een heilige, ik zou je dan willen eeren als een vorst; omhels me Claus, omhels me.”
Hij wilde zijn rechterarm om haar leest slaan, maar hij kon niet. Zij zag hoe zijn gelaat door smart vertrokken werd, sloeg nu haar armen om zijn hals, liet haar hoofd op zijn borst zinken en brak in weenen uit.
„M’n, lieve, goeie Claus, hoe hebben ze je verminkt, ’t Is de vreeselijkste wonde, die ze je hadden toe kunnen brengen. Maar,” ging zij zacht troostend voort, „wees niet bang, lieveling, m ij n rechterarm en m ij n rechterhand zijn gezond en mijn hand zal schrijven, door jouw geest bestuurd.”
Hij zag haar weer aan.
„Zoo is ’t goed, mijn kind, zoo is ’t goed. De rechterarm van den Duitschen man is verlamd, omdat hij het zwaard heeft gevoerd, dat geweld in de plaats van recht wilde. Maar nu, de vrouw is naast hem getreden en haar hand zal volvoeren wat de zijne niet vermocht; zij zal heerschen door het gevoel en door het gemoed. En zoo zullen wij samen het groote, groote Vaderland dienen, dat niet begrensd is door palen of zeeën, maar dat zich uitstrekt over alle landen en volkeren en zeeën ter wereld en welks opperheerschappij ten slotte altijd toevalt aan dengeen, die het naarstigst is in het volbrengen van den wil van aller heirscharen Heer.
Wat heb je in mij het meeste lief, Elisabeth?” vroeg hij toen plechtig.
Zij keek hem aan en wist niet te antwoorden.
„En nu moet jij zoo lang nadenken ?” zeide hij, zacht verwijtend.