„Ik zal het aan je oor zeggen, ik durf niet anders.” En zich tot hem buigend en de lippen aan zijn oor brengend zeide zij met zachte woorden, die hem waren als zooveel kussen:
„Het aller- allerliefste zal ik je hebben in den zoon, in het kind, dat ik van jou zal mogen ontvangen. Ik ben maar een vrouw en dat is voor mij toekomst, vaderland en hemel.”
„Heb je mij zóó lief?” vroeg hij haar.
„Ik heb je lief, lief, lief, liever dan alle dingen op aarde, lief tot in den dood, liever dan het eigen leven!”