222
„Ons vaderland en de zee, Lise” zeide hij. „Nu gaan wij werken voor een nieuwe toekomst; het nieuwe Duitschland zal een vrij Duitschland zijn en als echte Germanen zullen wij thans gaan streven naar dat hoogste geluk van den mensch; het recht, zijn persoonlijkheid te ontwikkelen. Ik heb veel, veel geleerd, Lieschen en ik heb ook geleerd, dat zij alleen het Vaderland lief kunnen hebben, die weten, dat het een geestelijk bezit is.”
Zij keek hem schalks in de oogen.
„Claus, m’n groote dappere Claus, m’n edele harte-schat, zeg mij nu eens, wie heb je liever, mij of het Vaderland?” En zij trok hem bij zich neder en beiden zaten nu naast elkaar.
Hij antwoordde niet dadelijk, keek peinzend langs de golvende goudgele velden, naar de hooge, diepblauwe lucht, naar het weeke paars, smeltend aan den einder en toen naar het lazuur in haar Germaansche viooltjes-oogen.
„Nu,” zeide zij, „moet dat zoo lang duren, Grübler?”
„Kind, ik heb in jou m’n Vaderland lief en in jou en door jou alleen kan ik die liefde uiten. We zullen samen een nieuw Duitschland scheppen, een vrij en heerlijk Duitschland, dat niet heerschen zal, maar dat zal leiden, omdat het ’t vernuft niet meer zal stellen boven het gemoed. En als ik straks weer voor de klas zal staan, dan zal ik een gelouterde Duitsche schoolmeester zijn en ik zal het jonge Duitschland opleiden tot de nieuwe taak, klaarmaken voor de nieuwe roeping, die aan de Germaansche volksziel is opgelegd. Wij hebben gedwaald, wij hebben als blinden de materie gediend en de groote hooge wet van de bergrede van Kapharnaüm vergeten. Zwaar zijn we er voorgetuch-