221
Lieschen zat nevens hem en keek hem aan, met haar oogen vol liefde, een stralend blauw, dieper dan dat van de korenbloemen zelve, die voor haar in den schoot lagen.
De kameraden uit Husum werden herdacht. Van al die vele krachtige, jonge, vroolijke kaerels waren er maar heel weinig teruggekeerd; het gordijnvuur der Franschen voor Verdun had ze weggemaaid als aren onder de zeis. Ergens ver weg in een massagraf sluimerden ze nu den eeuwigen slaap, met hun willen en wenschen en hopen, met hun vroolijkheid en hun overmoed, met hun lasten en hun lusten: Heinrich Plump en Diecke Gröhl en Kapoentje. En alleen Peer, Peer Kirkstjerne was teruggekeerd op twee kunstbeenen en met het Ijzeren Kruis eerste klasse op de borst. Het dorp was er vol van, hoe hij op zijn kunstbeenen toch al mede werkte op het land en zoowaar al mede geholpen had, toen de eerste snede werd gehooid.
Claus was gered en hij wist, dat hij gered was, door het woord van Lise, die hem gebeden had zichzelf voor haar te sparen. De dapperen waren gevallen, hij, de „lafaard,” was weergekeerd. Hij had dien hooge-ren moed bezeten van menschelijkheid en liefde te stellen boven slaafsch en heidensch geweld.
Tegen den namiddag ging het jonge paar wandelen. Zij liepen den binnenweg af en stonden toen opeens aan den rand van het verre, verre, golvende, gouden korenveld, waarboven de hooge lucht haar diepblau-wen koepel welfde. Samen beklommen ze een zandheuvel en, over golvende korenvelden heen, zagen zij de blanke Noordzee spiegelen onder het licht van de gouden zon. Hij sloeg zijn linkerarm om haar forsche leest en bleef, in gedachten verzonken, peinzend naast haar staan.