215
lingen tevreden. Het had eenige dagen lang geschenen, alsof de priester de verwonding niet te boven zou komen en reeds had hij om de laatste H. Sacramenten verzocht. Maar toen, in de uren van crisis, had de professor zelve bij zijn speciale zieken gewaakt; Abraham Israël Kohn-stamm had den strijd met den dood persoonlijk op zich genomen. Hij zat, met zijn donkere oogen zwaar omwald, zacht schijnend onder de forsche, grijze wenkbrauwen, de fiere kromme neus ver vooruitspringend, den breeden mond vastgeklemd, de grijzende baard tot op de borst, aan het ziekbed, een tenthoofd gelijk, een oude patriarch, een aartsvader, die den heiligen tabernakel bewaakte. En als het fijne, wasbleeke gelaat van den priester moede en sluimerend lag, dan prevelde Abraham Israël Kohnstamm de oude Hebreeuwsche gebeden tot den ouden almachtigen God Jehova, den heer der heirscharen: „In u zal ik mijn tempel oprichten, in u zal ik de liefde opwekken, in u zal het behoud herboren worden.”
Abraham Israël Kohnstamm wademde de onverwoestbare levenskracht van zijn eeuwig ras uit en liet ze invloeien in den amechtigen priester. Hij zou nu waar maken die oude symbolische sage van den beroemden rabbijn, die den Goolem had geschapen, maar deze Goo-lem zou zijn eigen wil hebben, zou zijn eigen leven leiden, de adem Gods zou hem opnieuw bezielen.
En het was deze wondere magnetische behandeling, dit overgegoten fluïdum, dat Raoul Descombes over de crisis scheen heen te helpen. Hij begon aan te sterken, hij begon belangstelling te toonen, hij begon gesprekken te voeren met Claus Demuth en met Markus Horwitz.
Claus Demuth voelde zich al weder geheel gezond,