205
een nieuwen uitval gereed, stak weer toe, onhandig door de overhaasting.
Claus weerde opnieuw af. „Om Christus wil,” zei hij, „man, sterf toch niet; ik ben je meester.”
Maar de tegenstander scheen zijn leven niet te tellen, stak nogmaals toe.
Claus ving den stoot op en pareerde met zóóveel kracht, dat het geweer den man uit de handen sloeg. Er was voor Claus nu slechts één armbeweging noodig geweest om den mensch vóór hem, door een steek te dooden, maar hij wierp zijn geweer weg en beide mannen omvatten elkaar en worstelden als schoolj ongens.
Toen Claus de armen van den man vastpakte, voelde hij een groote deernis. De Franschman was mager, spierloos, haast uitgeteerd en Claus drukte hem ter aarde als een kind.
„Miséricorde!” kreet de man, onder de knie van Claus, „j’ étais un prêtre; O, ma pauvre France!”
„Geef je over, op^e priesterwoord en je zult blijven leven,” zei Claus, hem bij de polsen onder zich vasthoudend, maar met zachtheid in den toon van zijn stem. Meteen siste een kogel tusschen beiden. Een Duitsche? Een Fransche? Claus hoorde alleen een rauw gehuil achter zich, daarop zag hij weer het gelaat op den doek van Veronica, groot, blank, blinkend, lichtend en met groote oogen, vol onzegbare droefenis.
Toen was het uit.
Hij ontwaakte, met een verband om het hoofd en een verband om den schouder, in een kerk met hooge gothische boogramen, waardoor, paars en rood, het licht van buiten viel. Hij keek op, zwak, moe, met zware, loome leden, maar een vreemde helderheid van