HOOFDSTUK XVII
Weder was Claus, na eindelooze uren van een reis in een donkeren, muffen, derde klas spoorwegwagen aan het Westelijke front. Hij was in een van de voorste loopgraven geplaatst en wist, dat het einddoel de inneming van Verdun moest zijn. Maar hij begon hoe langer hoe meer te bemerken, dat hij ongeschikt was geworden voor den militairen dienst. Was het de vrees voor een verwonding, nu hij reeds' eenmaal ondervonden had, dat hem, zoomin als zooveel anderen, die, zoolang zij niet gewond zijn, aan een persoonlijke bescherming gelooven, een buitengewone macht voor ongeval bewaarde ? Slechts de allermoedigsten blijven in hun goed geluk gelooven, nadat zij eenmaal reeds een waarschuwing aan den lijve hebben ondervonden. En Claus wist het, hij had zijn Vaderland lief, maar hij haatte dit rampzalige oorlogsbedrijf. Te dikwijls, als tot een nachtelijke overrompeling besloten was, dacht hij aan Lieschen, en aan haar woorden, „blijf voor mij gespaard, wees niet roekeloos” en al te vaak, als hij zijn geweer richtte op de loopgraaf tegenover de hunne, dan dacht hij: wie weet, welken edelen Franschman ik op dit oogen-blik voor levenslang ongelukkig maak of vermoord. En dan trilde zijn hand en hij wist, dat zijn schot