197
eindelijk gevonden? Sedert twee dagen loop ik hier met boer Jörgen alle kazernes af en als ik je vanavond niet gevonden had, dan zou ik, dan zou ik ..Zij barstte in tranen en snikken uit, omhelsde hem nogmaals, kuste hem, niet er op lettend, dat aller oogen op hen gericht waren.
En nu trok Lieschen hem naar haar tafel, vertelde hem, hoe zij aan hem gedacht had, hoe zij naar hem gezocht had, hoe zij, door de somnambule, zijn spoor had gevonden.
En hij nu ook, vertelde haar, haastig, zijn wedervaren, telkens nu al zijn horloge voor den dag halend, om op tijd binnen te zijn.
„Denk er aan, Claus, ik ben voor jou, in leven en dood — alle dagen en alle nachten heb ik aan je gedacht. En zorg, dat je levend terugkomt. Wees niet roekeloos met je leven, denk aan mij en denk aan mijn liefde.”
Zij omhelsden elkaar in het café, kusten elkaar en kusten elkaar weder. Een afspraak werd gemaakt voor den volgenden morgen vroeg en één halve minuut vóór tienen, zag men Claus naar de kazernepoort rennen, zóó snel, als een Duitsch militair, die weet wat het beteekent, in oorlogstijd te laat op het appèl te zijn.