1%
„Ja en wat zou dat?”
„Man, je Schatz is er geweest — alle achting; die is mooi genoeg voor een generaal.”
„Ik heb geen Schatz,” zei Demuth verbleekend, en in de verwarring van het eerste oogenblik vreezend, dat de straatdeern aan de kazernepoort was geweest.
„Man, ze heeft staan te huilen en ze heeft een kabaal gemaakt, dat we allemaal er op af kwamen; troosters waren er genoeg, maar dat is er een, die d’r mannetje staat. Je hebt nog net een kwartier voor je binnen moet zijn; pak je beenen op en loop kerel, loop, ze zit daar schuin over in de kattenkroeg.”
Claus wist nog altijd niet, wie er voor hem geweest kon zijn, maar iets in hem deed hem aan het alleronmogelijkste denken, aan een plotselinge komst van Lieschen. Hij snelde de straat over, achtervolgd door het luide gelach der kameraden, die hem grappen nariepen.
Met een ruk trok hij de deur van den koekbakkerswinkel open en vroeg aan de juffrouw achter de toonbank. „Is m’n meisje hier?”
De juffrouw lachte. „Ik ben het niet,” zei ze, „ik heb er een, hoor, maar er zitten achter in de koffiekamer zooveel dames.”
Claus liep door, zag in het zaaltje van het Wiener Café een aantal meisjes zitten van de soort, die hem had aangesproken en wilde reeds teleurgesteld weggaan, vermoedend door zijn kameraden beetgenomen te zijn, toen plotseling, met een gil, een meisje van achtereen afzonderlijk staand tafeltje opsprong en op hem toeliep, gevolgd door een stevigen boer.
„Lieschen!” kreet Claus.
„Claus, Claus, m’n lieve, beste Claus, heb ik je dan