195
straat gezet.” Zij zeide het zoo deemoedig en in den klank van haar stem was zóóveel waarheid, dat in Claus deernis welde. Hij haalde zijn portemonaïe uit den zak en gaf haar een Thaler.
„Ga je niet mee?” vroeg ze verwonderd, „Je hoeft niet vooruit te betalen, ik vertrouw je wel.”
„Betaal je huur en laat mij met rust en denk nog eens aan een armen soldaat als ik, in ’s-vijands land, straks in de loopgraaf sta.”
„Dank je,” zeide zij, bijna beschaamd, „de lieve God heeft mij al lang verlaten, anders zou ik voor je bidden ook.”
„Bid niet alleen, maar werk ook,” zeide hij en liep van haar af en stapte stevig door.
Toen hij weder in de Friedrichstrasse kwam, voelde hij zich verlicht en verruimd en het besef een verleiding te boven gekomen te zijn, gaf hem een innerlijke vroolijkheid; hij voelde de stad nu als ware zij zijn dienares, zijn mindere en in hem kwam een regel uit een der themaboeken: „Wie zich zelf overwint, is sterker, dan wie een stad verovert, zei Democritus.”
Hij wandelde terug naar de kazerne en onderweg kwam in hem de gedachte aan Lieschen. Vreemd, dat zij nu zoo sterk hem voor zijn geestesoog stond. Waar zou zij zijn ? Dacht zij veel aan hem ? Hoe gelukkig, dat hij de verzoeking ontgaan was; zou hij, haar weerziende, ooit zijn oog in haar oog kunnen spiegelen, zonder te denken aan zijn val, indien hij toegegeven had aan de verlokking van dat arme, hongerige straatmeisje, dat toch ook een dochter van Duitschland was, zoo goed als zijn Lieschen.
Bij de kazernepoort kwam een kameraad op hem af. ,Jij bent toch Claus Demuth uit Husum?”