194
Wenigen wissen Das Geheimniss der Liebe, x Fühlen Unersattlichkeit
Und ewige Lust
Terwijl hij, droomend, in zichzelf reciteerde, liep een arm, mager vrouwtje tegen hem op en zeide: „Ga eens met me mee, Schatz.” Hij zag haar aan, in haar koortsachtige donkere oogen, hij zag haar breede jukbeenderen, haar rood geverfde koontjes, haar stompen wipneus, haar grooten mond. Dat was geen Germaansche, dat was een Russin of een Poolsche.
„Schaam je je niet hier te loopen, hier, in de straat van Novalis?” zei hij verontwaardigd.
„Maar beste jongen, uit welk gat kom jij ? Dit is hier onze buurt.”
.Jullie buurt?”
„Ja, we wonen hier wel met z’n duizenden, maar kom, dat zal je toch wel weten — je komt toch zeker hier niet naar deze buurt om het heilsleger te zoeken ?”
Even kwam in Claus de verzoeking om kennis te nemen van dat vreemde, geheimzinnige, dat voor hem nog ongekende, maar tegelijkertijd voelde hij in zich een verwijt. Wat hij, de Germaan, beroemd al in de oudheid om de kuische zeden, zou hier een dochter des volks misbruiken voor het allerlaagste waartoe de vrouw kan zinken? Dat zou zijn inwijding van Berlijn zijn? Neen, hij zou sterker zijn dan dit groote Babel, hij mocht dan geen dogmatisch Christen meer wezen, een dogmatisch Germaan was hij gebleven, een drager van kuituur en daarom een ethisch man.
„Ga mee met me,” zei het meisje, „ik ben goedkoop, als ik vandaag m’n huur niet verdien, word ik op