193
vijand zijn legers had verzameld, weer snel daarheen, om die in het Westen weer gelegenheid te geven, op adem te komen en zich voor te bereiden tot vernieuwden aanval! Zou dat niet moeten uitloopen op uitputting ?
Voor het eerst begon Claus te twijfelen aan de macht van Duitschland, voor het eerst kwam in hem het gevoel, dat, na dezen met zooveel vertrouwen door het Duitsche volk begonnen oorlog, de tot nu toe steeds stijgende lijn van Duitschland’s grootheid, wel eens in een dalende zou kunnen overgaan.
Van die pijnigende gedachte vervuld, kwam Claus weer terug op het kruispunt van Unter den Linden en de Friedrichstrasse.
Het was nog te vroeg, om weer naar de kazerne te gaan. Hij liep het gebouw voorbij, verder noordwaarts de stad in, kwam nu aan de Elsasserstrasse. Een jonge vrouw kwam op hem af, lachte hem toe en vroeg of hij niet met haar mee wilde gaan. Verontwaardigd keerde Claus zich af, hij liep door ; eenige passen verder liep een andere vrouw hem tegen het lijf, opzettelijk tegen het lijf en lonkte hem nu, mede te gaan. Bij den hoek van een straat las hij: Tieckstrasse. Dat zou zeker een voorname straat zijn, dacht hij. Tieck, de groote taalkenner, de man, die Shakespeare tot een Duitscher had gemaakt, hij met den taalvorscher Schlegel. Maar nauwelijks had hij een paar schreden in de straat gedaan, of weer lonkten jonge vrouwen hem toe en dat ging zoo maar de heele straat door. Novalisstrasse las hij nu. Novalis, dien kende hij ook, den Duitschen peinzer, den jongen mysticus en in hem kwamen de eerste strofen van dat heerlijkste vers der Duitsche letterkunde op:
13
De Lafaard