191
even zijn oogen, verblind door het felle licht in de smalle, drukke Friedrichstrasse, gewend waren aan den overgang, zag hij wel, dat die duisternis maar betrekkelijk was, dat ook hier wel de booglampen gloeiden, zij het ook niet met warm geel licht, doch koud en wit, maar toch, grootsch was het niet en overweldigen deed het allerminst. En van stroomen menschen was er geen spoor. Teleurgesteld liep hij voort, over het breede trottoir, steeds meer zich verwonderend over de gruwelijke doodsche verlatenheid. Waarom was deze straat zoo breed, waarom waren er hier eigenlijk negen straten onmiddellijk naast elkaar aangelegd, slechts gescheiden door dubbele rijen boomen in het midden en door trottoirbanden? Toch zeker niet omdat het verkeer het eischte?En dan die boomen! Waren dat nu de machtige linden die hij zich had voorgesteld, die dunne, magere, kwijnende stammen, die voor een groot deel zelfs niet eens linden waren ? Dat waren immers kastanje-boomen; Claus, opgegroeid op het land, zag dat wel, al waren ze nu ook bladerloos. Hij liep nu op den breeden middenweg en in de verte zag hij, recht voor zich uit, de zware silhouet van de Brandenburger poort, die in het avond-donker wel den indruk gaf van kracht en stoerheid. Maar bevredigd was Claus niet. Hij bleef staan, keerde om en liep werktuigelijk terug. Even keek hij op, toen hij weer de drukke Friedrichstrasse had bereikt, maar steeds peinzend, diep-in voelend als een lichamelijke pijn het wegrukken van zijn illusie, vervolgde hij zijn wandeling langs den stillen weg, tot hij plotseling kwam te staan voor het reusachtige ruiterstandbeeld van Frederik de Groote. Hij keek er naar, eerst zonder te zien, maar toen kwam al klaarder vóór hem de figuur van dezen Pruisischen koning,