190
laan van reusachtige lindeboomen. Dorotheënstrasse en Mittelstrasse was hij voorbij, nu zou hij er dus komen! Hij staarde voor zich uit, zonder te kijken naar rechts of links, steeds maar turende op de vlammende reuzenletters daar boven aan een der gevels, die, als met onzichtbare hand geschreven en weer uitgeveegd, afwisselend in rood en groen vuur dennaam spelden van een chocolade-fabrikant. Daar moest het dus zijn, daar waar die leelijke reclame zoo storend zich aan zijn blik opdrong.
Nu stond Claus op den hoek, even beduusd door het plotseling vlak langs hem heenschieten van twee roode huur-auto’s, die onder schor hoorngetoet de smalle, drukke Friedrichstrasse overstaken. Werktuigelijk keek hij de rammelende wagens na en tegelijk kwam over hem een gevoel van teleurstelling, een gevoel van minachting voor Berlijn. Was dat nu die beroemde straat, waarvan hij zoo vaak had hooren spreken als van iets grootsch en moois? Zouden zoo ook de boulevards in Parijs er uitzien ? Neen, dat kon niet! In de beschrijving, die hij had gelezen waren ze geschilderd, als wegen waarlangs de auto’s in onafzienbare, nooit onderbroken rijen voortsnorden, en de wandelaars vroolijk en levendig de breede trottoirs vulden, als wegen, waarboven een atmosfeer hing, doortrokken van het licht, schijnend uit honderden zacht-gele elec-trische manen, uit de vensters der groote café’s en de étalages der winkels. En Claus had die beschrijving in zich bewaard, een visioen van blijheid en van leven.
En hier? De auto’s die hij nastaarde schenen, puffend, zich met moeite door de duisternis heen te boren. Was dat Unter den Linden? Was dat die grootsch aangelegde straat, waarop de Berlijners zoo fier waren ? Toen