187
tijn der Mark Brandenburg, zonder flinke rivier, zonder grootsche haven, zonder nabije zee; die geheele stad, was een schepping van arbeid en wil, maar zonder die diepere noodzakelijkheid, welke steden haar plaats aanwijst naar hoogeren wil dan die van menschen.
De kameraden waren stil geworden. Ze tuurden uit de vensters en wezen elkaar kerken, groote gebouwen, eindelooze straten. Over viaducten, tusschen de vaal-grauwe achterzijden der hooge huizen door, bont en smakeloos beschilderd met schreeuwige reclames, met nu en dan, een kijkje in groote fabrieksruimten of ateliers, of groote kantoren, waar de menschen, opgeprikt als kevers in de verzamelingen der entymologen, hun nuchter materialistisch bestaantje doorleefden. Dit zou de burcht van het Germanendom moeten zijn? Van hieruit zou de werkelijke Duitsche gedachte en de werkelijke Duitsche beschaving kunnen verbreid worden? Claus voelde met ontzetting, dat hij vijandig, dat hij als een vreemde stond tegenover de hoofdstad, tegenover de centrale van zijn eigen vaderland.
Aan het station Friedrichstrasse zouden zij uitstappen. De wagen waarin Claus zat, bleef juist stilstaan boven het viaduct en uit het portiervenster zag hij nu in de drukke straat, waar al de eerste lichten waren opgestoken en hij voelde zich duizelig worden bij het zien naar het gewemel der menschen beneden, tusschen de hoog opstaande huizenwallen, klaterig, druk, onecht, met schilden en gipsen oplegsels, pinakels — een stijllooze, bonte, drukke massa. En wat verder stonden zware ijzeren hei-stellingen, was men diep in den grond aan het graven en woelen, terwijl terzijde, langs de stoepen, in nauwe geulen, de menschen, opgestuwd, schenen te worden voortgeperst.