185
zegen, dat Duitschland zooveel verschillende landaarden zooveel verschillende volkszielen, met geweld tot één staatsverband had gebracht?
De kameraden in zijn trein begonnen te zingen, Claus bleef zwijgen.
„Kom, kameraad, zit niet zoo te suffen, doe toch eens mee!” riep er een en sloeg hem vriendschappelijk op den schouder en met een forschen bariton zette hij meteen het „Deutschland über alles” in.
Maar Claus bleef peinzen. Als het maar Duitschland boven alles was! Als het Duitsche wezen maar zegevierde ! Doch hij had in Oost-Pruisen aan de gezichten der menschen, aan de wijze waarop zij het Duitsch uitspraken, aan hun gebaren, aan den bouw hunner woningen bemerkt, al te goed bemerkt, dat de Oost-Pruisische bevolking van de bevolking uit het Dit-marsche evenveel verschilde, als de Russen, en de blonde Vlaming, die hem te Brussel zoo gevoelig had toegesproken, voelde hij veel meer als zuiveren Germaan, als mensch die de Germaansche kuituur en den Germaanschen wil in zich belichaamde, dan het kudde-achtige Oost-Pruisische Slavenvolk. De staatkundige eenheid van Duitschland was een werk gedweest van menschengeweld, niet van harmonische, uit de kuituur gegroeide samensmelting.
Terwijl de kameraden in zijn wagen zongen, goedsmoeds en vroolijk om het tweedaagsche uitstapje naar Berlijn, voelde hij een groote bedrukking. Hij keek uit het portierraam en zag kalkachtige blauwe luchten en vale, onvruchtbare landen. Hoe anders deze luchten, dit landschap, dan zijn heerlijk laagland, de prachtige weiden smeuïg en diepgroen, de hooge, teer-blauwe luchten, met de satijnig blanke wolkgevaarten ! In hem
%