HOOFDSTUK XVI.
Het regiment waartoe Claus Demuth behoorde, had bevel gekregen, Oost-Pruisen te verlaten en naar Noord-Frankrijk op te trekken; te voren zou men te Berlijn twee dagen overblijven. De soldaten wisten niet, waarom deze onderbreking plaats vond, maar de meesten hunner waren er uiterst gelukkig mee, want nu zouden ze de groote stad voor het eerst in hun leven zien.
Claus was minder gelukkig. Parijs was het doel van den oorlog geweest, niet Berlijn en nu hij naar Berlijn ging, voelde hij de stad vijandig. Hij had in Oost-Pruisen de gruwelijke verwoesting door de Russen daar aangericht, van nabij gezien — steden vernield, dorpen plat gebrand, vrouwen en kinderen mishandeld en zooveel van al die oorlogsellende was geen noodzaak geweest, maar de uiting van dierlijke driften in den mensch, van het genot in vernieling en het genot in smart-verwekking. Maar in Oost-Pruisen zelf leek het hem, of die bevolking daar, die toch Duitsch sprak, veel nader tot de Russen stond, dan hij, de blonde, blauw-oogige Germaan uit het Ditmarsche.
Was de Duitsche eenheid wel een in het wezen des volks opgenomen bewustheid, of was die eenheid slechts een uiterlijk staatkundig verband? Was het wel een