183
de Duitsche troepen optrokken, ontvingen de Engel-schen ze zoo kalm, alsof het een spel gold; ze mikten en schoten en ze schoten raak. Zij wierpen elkaar grappen toe op de aanstormende benden der Hunnen en pikten er een voor hun schot van uit, alsof het een weddenschap gold.
De Duitschers deinsden weer terug. Duizenden van de beste soldaten der garde waren gesneuveld, nutteloos gesneuveld en voor het eerst kwam bij hen, die bovenaan staan en de sterkste instincten hebben, de instincten die de toekomst vóórvoelen, het besef, dat ’14 iets anders zou worden dan ’70. Met een innerlijken schrik ontwaarde de Duitsche volksziel, dat zij op een macht gestuit was, die de hare zou weerstaan. Dit was niet Fransch élan, te breken door degelijkheid en uithoudingsvermogen; dit was zelfbewuste ontembare levenskracht, dit was de eigen vitaliteit, versterkt door een gevoel, dat boven het hunne uitging.
En op eens, als een wanhoopskreet, klonk uit het Duitsche gemoed een bede, die te gelijk een vervloeking was: Gott strafe England. Het leek een bede, maar zij wisten het, de godheid zou te zwak zijn, de Duitsche volksgeest miste haar suggestieve werking op Engeland. Het was een smartkreet, een kreet van vertwijfeling, een kreet van blinde, woeste woede en tegelijkertijd de eerste erkenning van het begin van het einde. — Duitschland gaf zich verloren; het wist, dat het met menschelijke macht Groot Brittanje niet zou kunnen verslaan. Zou de Duitsche godheid dan kunnen, wat het Duitsche volk niet vermocht ? De strijd der geesten kan met menschelijke menschen alleen niet gewonnen worden.