182
bied bewezen, die altijd onvermijdelijk de lager georganiseerde aan den hooger georganiseerde brengt. Het Duitsche volk, dat den adel respecteerde, dat gewend is, door den adel geleid en beheerscht te worden, zag op tegen deze soldaten, alsof het allen edellieden waren.
Nieuwe aanvallen werden ondernomen; de keurtroepen van de Mark Brandenburg, de Pruisische Garde, de beste soldaten ter wereld, werden uitgezonden, met het bevel te sterven of te overwinnen, tegen dien onverwachten vijand van over de Noordzee.
De Engelsche troepen sidderden niet; zij schenen zelfs niet te weten, wie daar op hen afgestuurd werden. Voor hen was er geen onderscheid tusschen Duitscher en Duitscher; ze hadden maar één woord voor al wat Duitsch was: „Hun”.
Bij elk gevecht gaan. vóór de soldaten en rondom de soldaten, geheimzinnige machten vooruit. Het is het besef dezer machten, dat door alle tijden heen, in de lagen van alle volkeren, het geloof heeft gesymboliseerd aan onzichtbare strijders. De oorlog is, meer dan wel vermoed wordt, een strijd van mystieke machten, die zichtbaar zijn in de vleeschelijk belichaamde menschen. De Duitscher wist, dat die geheime macht rondom hem zoo sterk was, dat hij, waar hij kwam, den tegenstander verlamde — hier nu, voor het eerst, voelde hij, dat de God van Duitschland machteloos was tegenover deze ongenaakbare, hooghartige edelen in khaki. De godheid der knechten kon niet op tegen de godheid der heeren. Verspieders en spionnen kwamen het overbrengen: er was onder die Engelschen niet één, die niet overtuigd was, dat Groot Brittanje zou overwinnen. Zij spotten en lachten met den Hun. Als